Geothermie heet ook wel aardwarmte. Het is warmte uit diepe bodemlagen. Diep in de ondergrond, in poreuze zand- en steenlagen, zit op verschillende plekken in Nederland heet (zout) water. Hoe dieper in de aarde, hoe warmer het water wordt. Met iedere kilometer diepte stijgt de temperatuur met ongeveer 31˚C.
Deze warmte kunnen we gebruiken voor het verwarmen van onder andere gebouwen. Via een put, in Delft ongeveer 2,2 kilometer diep, pompen we het hete water van zo’n 75 graden naar boven. Een grote warmtepomp warmt het water verder op zodat het geschikt is voor het warmtenet.
Warmtewisselaars dragen de warmte uit het bodemwater over op een gesloten buizensysteem (warmtenet) met daarin zoet water. Daarmee verwarmen we de gebouwen.
Het bodemwater koelt af naar zo’n 50 graden en gaat via een tweede put terug in dezelfde aardlaag. Dit is ondergronds op anderhalve kilometer van de andere put.